Kinderverhalen

lezen

 

 

Een droom in een eenzame nacht

Als Jakob niet zo treurig was geweest, had hij vast die mooie bok wel gezien, op de rots schuin boven hem. Onbeweeglijk staat hij daar. Moet je die prachtige kop zien met die lange, puntige horens. Het lijkt wel een standbeeld zo tegen de hardblauwe lucht. Zodra het dier onraad bemerkt, vlucht het met grote sprongen weg. Feilloos vinden zijn voeten houvast op de steenachtige helling. Maar Jakob bemerkt het niet. In gedachten verzonken loopt hij voort, de stok in de hand en een waterkruik aan de riem om z’n middel. Wat doet hij hier eigenlijk in dit verlaten bergland? En waarom gaat hij steeds verder van huis? Dat komt zo.
‘Mevrouw, mevrouw…’ roept de jongste knecht van Isaak opgewonden tegen Rebekka. ‘Ik heb iets heel ergs gehoord. Ik moet het u vertellen. Uw zoon Esau wil Jakob vermoorden. Ik heb het hem zelf horen zeggen. Hij wacht alleen totdat meneer Isaak dood is…’
Rebekka schrikt. Was dat echt waar? Was Esau dan zo boos omdat Jakob de eerstgeboortezegen had gestolen? O, wat vreselijk. Ze moet Jakob gauw waarschuwen.
‘Dank je, Mesech, dat je me dit bent komen vertellen.’ antwoordt ze uiterlijk kalm. ‘Laat mijn zoon Jakob onmiddellijk bij me komen, wil je?’
Als je zo maar midden op de dag weggeroepen wordt vanachter de schapen, moet er wel iets aan de hand zijn. Jakob haast zich dus naar zijn moeders tent. Daar hoort hij van het dreigende gevaar.
‘Jakob, Esau wil je doden om wat je hebt gedaan. Maar dat zal niet gebeuren. Ga naar mijn broer in Haran en blijf daar een poosje. Zodra Esau’s boosheid is gezakt laat ik het je weten.’
Jakob weifelt. Moet hij vluchten naar Haran? Zo ver weg? En wat zal vader daarvan zeggen?
Maar daar weet Rebekka wel wat op. Ze gaat naar Isaak toe en zegt: ‘Isaak, ik erger me dagelijks aan die goddeloze vrouwen van Esau. Stel je toch eens voor dat Jakob ook met zo’n meisje thuis komt. Dat zou toch niet vol te houden zijn? Laten we hem naar mijn familie sturen. Dan kan hij daar een vrouw zoeken.’
‘Inderdaad, Rebekka,’ antwoordt Isaak, een beetje verbaasd dat ze hier zo onverwachts over begint. ‘Het is een vervelende toestand met die heidense vrouwen. Je hebt groot gelijk. Laat Jakob maar bij me komen, dan zal ik het wel met hem regelen.’
Dat laatste halfuurtje bij zijn vader zou Jakob niet licht vergeten. Weer lag hij geknield bij vaders bed, maar nu niet verkleed als bedrieger. Vader houdt Jakobs werkhanden in zijn eigen gerimpelde oude handen.
‘Ga, m’n zoon,’ zegt hij. ‘Zoek een vrouw die de Here dient in het land Padam Aram. En God, de Almachtige zegene je en zal je tot een groot volk maken. Dit land zal voor jou en je kinderen zijn.’
Beschaamd heeft Jakob geluisterd… Deze zegen, de zegen van opa Abraham en vader Isaak… is hij die wel waard? Zou de Here met zo’n bedrieger als hij wel contact willen hebben? Met tranen in z’n ogen neemt hij even later afscheid…
Zo komt het dus dat Jakob nu hier in dit verlaten bergachtige gebied loopt. Hij heeft alle tijd om na te denken. Zou hij Berseba nog ooit terugzien? Zijn vader, zijn moeder en zijn broer Esau?… Moedeloos en moederziel alleen loopt hij verder, steeds verder weg. Als het avond wordt en de zon snel wegzakt achter de bergen, zoekt Jakob bijtijds een plaatsje om de nacht door te brengen. Met z’n stok slaat hij door het dorre gras. Zitten er geen slangen verscholen, of grote spinnen? Brr! Je moet er niet aan denken… Op een geschikte plek, lekker uit de wind, spreidt hij zijn jas uit. Een grote steen is zijn hoofdkussen. Wel een beetje hard, Maar ja, wat wil je? Doodmoe van de tocht valt hij al gauw in een diepe slaap.
Een klipdasje komt nieuwsgierig naar die slapende man kijken. Z’n neusje wipt grappig op en neer. Jakob merkt het niet. Hij slaapt rustig door. De maan komt op… Hij schijnt op de rotsen en tovert langgerekte schaduwen te voorschijn. Eén manestraal schijnt precies op Jakobs gesloten ogen. Hij merkt er niets van, want… hij droomt. Het is een heel erg mooie droom.
Een ladder van licht reikt tot in de hemel en engelen klimmen op en neer. Een groot verlangen is er in zijn hart om ook naar boven te gaan. Hij volgt de engelen met zijn ogen. En dan ziet hij iets ongelooflijks… Helemaal bovenaan die ladder staat… de Here God zelf. Ja, en hij spreekt tot hem. Hoor!
‘Ik ben de Here, de God van Abraham en Isaak en ook jouw God. Dit land, waarop je ligt te slapen zal ik aan jou en je nageslacht geven. En alle mensen van de wereld zullen met jou en met je nageslacht gezegend worden. Zie, ik ben met je. Ik zal je behoeden, overal waar je heengaat en je weer terugbrengen naar dit land. Nooit zal ik je verlaten.’
De droom is uit. Jakob wordt wakker. Een moment weet hij niet waar hij is, maar dat duurt niet lang. Hij herinnert zich alles… de ladder, de engelen en de woorden van God. Met z’n armen om z’n benen geslagen, kijkt Jakob naar de schitterende kleuren van de opgaande zon. Hij heeft toch zo’n blij gevoel van binnen.
‘Dit lijkt wel een poort naar de hemel,’ denkt hij, ‘Ik noem het hier Betel, huis van God.’
Plechtig zet hij dan de steen, waarop hij met zijn hoofd lag, recht overeind. Deze plek is heilig… een plaats om te onthouden. Een kruikje olie, dat hij van thuis had meegenomen voor als hij soms gewond zou raken, giet hij als een dankoffer over de steen. Dik en geel druipt de vettigheid omlaag.
‘Als u zo goed bent, Here God,’ belooft Jakob, ‘Dan zult u ook mijn God zijn. Als ik hier weer terugkom, krijgt u van alles wat ik heb een tiende deel.’
Op de eenzame weg, die van Berseba naar het noorden loopt, loopt Jakob. Verder en verder van huis naar een onbekend land en een onbekende familie… Zijn stok tikt vrolijk op het pad en zijn ogen kijken blij de toekomst tegemoet.

 (Geschreven door Josine de Jong (zie bijbelverhalen.nl))

 

image007

 

Voorgaande verhalen uit 2016

[table “” not found /]

 

 

De tweede Adam

Heb je wel eens een tweede kans gekregen? Misschien een schriftelijke overhoring verknoeid en je mocht het overdoen? Als je meedoet met de Olympische spelen en je verknalt het, dan ben je de klos, dan moet je weer vier jaar wachten voor je een gooi naar het goud kunt doen.
Wist je dat de mensheid ook een tweede kans heeft gekregen?
Je kent het verhaal van Adam en Eva in het paradijs toch wel? Adam (en Eva) had het gruwelijk verknoeid. Door zijn ongehoorzaamheid kwam er een vloek over alles, de grond, de dieren en de mensen. De mens werd uit het paradijs verdreven en uit de nabijheid van God. De dood ging heersen, met als gevolg: honger, ziekte, eenzaamheid en lijden.
Maar… zo lief had God ons allemaal, dat Hij zijn enige zoon naar de aarde stuurde als mens om de test over te doen. Jezus werd als het ware de TWEEDE ADAM. En daarover gaat nu het volgende ontzettend belangrijke superverhaal. Wie dit verhaal nooit gehoord heeft begrijpt niks van Gods story. Die tweede kans vond niet plaats in een prachtig paradijs, maar in de woestijn. Hier waren geen liefelijke heuvels, watervalletjes en vruchtbomen, maar harde rotsen, droogte en zand, eindeloos veel zand… En heet dat het er was!! Pfoe!

Pfoe wat is het heet! Zelfs de hagedisjes op de rotsen bewegen zich niet. Een gier draait rondjes hoog in de lucht, op zoek naar een dood karkas van een kameel of… een mens.
Een mens? Wie waagt zich nu in dit levensbedreigende land?
Er loopt een eenzame man in de grote woestijn. Hij struikelt telkens van uitputting, honger en dorst. Zijn omslagdoek heeft hij voor z’n mond gebonden tegen het opwaaiende zand. Zo af en toe drinkt hij wat water uit een kruik die hij bij zich heeft.
Wie is deze man en waar gaat hij naar toe?
Het is Jezus en Hij zoekt de eenzaamheid op, omdat de Heilige Geest hem daarheen leidt. Jezus heeft net een geweldige ervaring achter de rug.
Dat was na zijn doop door Johannes. De heilige Geest kwam in de gedaante van een duif op zijn hoofd zitten en een stem uit de Hemel zei: ‘Jij bent mijn geliefde zoon, in jou vind ik vreugde!’
Van zijn tenen tot zijn kruin werd Jezus aangeraakt. En nog steeds voelt hij het. ‘God is mijn Vader, Ik ben zijn zoon en ik ben hier op de aarde met een belangrijke missie!’
Zo was Hij gaan lopen en lopen, veertig dagen lang, de woestijn in, zonder brood.

HOE?? HOE?? Hoe??
Die vraag komt telkens boven. ‘Als ik Gods Zoon ben, HOE moet ik de mensheid dan redden? Op welke manier?’
Allerlei mogelijkheden flitsen door zijn hoofd, maar Jezus verwerpt ze meteen ook weer. Hij denkt aan Adam, waar begon de fout? Waar is het mis gegaan? Ongehoorzaamheid. Hoe kan het weer goed worden… en hoe zit het met het lam dat geslacht moest worden om Adam (en Eva) te bedekken? Adam(en Eva) at van de vrucht van de Boom van kennis van Goed en kwaad… O, dus Adam (en Eva) wilde zelf uitmaken wat goed of fout is…Ja, je moet je houden aan de Boom van het Leven, Gods woord… En die slang?…
Tssss! Klinkt het plotseling achter Jezus.
Een slang?
Ja. Maar niet een gewone. Nee, dat kun je zo zien. Felle hypnotiserende ogen. Een gespleten tong. Het is de Vader van de Leugen, dezelfde vijand die Adam verleidde, Satan. Jezus stelt zich bliksemsnel op tegen hem.
Dit is de grote confrontatie. De tweede kans voor de mensheid!! De hele schepping houdt de adem in. De wapens worden geheven. Wapens? Jezus draagt toch geen zwaard? Ja hoor! Het zwaard van de Geest, dat is het Woord van God. En Satan? Die gebruikt zijn sluwheid als wapen.

Satan weet dat Jezus honger heeft, na veertig dagen vasten.
‘Alssss je de zoon van God bent… beveel die ssssteen dan in een brood te veranderen.’ sist hij.
Bliksemsnel weert Jezus de aanval af.
‘Er staat geschreven: de mens leeft niet van brood alleen!’
Hij wil geen supertovenaar worden, geen magie bedrijven. Alleen iets doen als de Vader het zegt. De eerste overwinning is voor de Heiland.

De duivel peilt Jezus. De Zoon van God? Dan wil hij zeker macht. Macht is het heerlijkste dat er is, denkt hij…. Zijn tweede wapen is verleiding. Hij slaat onverwachts fel toe.
Plotseling staat Jezus op een hooggelegen plaats en de satan laat hem alle koninkrijken van de wereld zien. Wat geweldig! Heersen, bevelen, de baas zijn… Macht maakt dronken.
‘Ik geef je de macht over dat allessss en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover besssschikken en ik geef het aan wie ik wil! Als je in aanbidding voor mij neervalt, zal het allemaal van jou zijn… Tssss!’
‘Nee!’schreeuwt Jezus,’Achteruit jij! Er staat geschreven: Aanbid de Heer, uw God, vereer Hem alleen!’ Het zwaard des Geestes flikkert bij wijze van spreken in de zon, rakelings langs de kop van de slang.
Hoera!! De tweede slag is ook voor onze Heer! Geen andere God! Geen knieval voor de Boze. Never! De slang moet niet aanbeden worden. Hij gaat eraan!

Tsss! De kop van de slang slingert heen en weer. Hij denkt na. Hij weet dat hij nog een kans heeft. Die moet hij goed benutten. Jezus gebruikt woorden uit de bijbel? Nou, dat kan hijzelf ook. Hij zet Jezus op het hoogste puntje van de tempel in Jeruzalem en spreekt schijnheilig, met vrome stem:
‘Als je de zoon van God bent, spring dan naar beneden. Want er staat geschreven: Zijn engelen zal hij opdracht geven om over je te waken. Op hun handen zullen ze je dragen, zodat je je voet niet aan een steen stoot. Toe ssspring dan!’
Zou Jezus het doen? De hele wereld zal over hem spreken. Eer, roem en bekendheid! Gaat Jezus ervoor? Het antwoord echoot tegen de bergwanden als een kanonsschot.
‘Nee, Satan, nee! Er is gezegd: Stel de Here God niet op de proef!’
Goed geantwoord! Perfect! Drie-nul voor Jezus!
Als dit een voetbalwedstrijd zou zijn geweest was het hele stadion opgesprongen en hadden ze uitzinnig gedanst.

Met een grote brul vlucht Satan. Hij is verslagen, in zijn hemd gezet voor al zijn demonen.
Voor een tijdje laat hij Jezus met rust.
Dodelijk vermoeid valt Jezus met zijn gezicht in het zand. Totaal uitgeput. Maar God laat zijn Zoon niet in de steek, want engelen komen om voor hem te zorgen.
De tweede Adam heeft niet gefaald. Hij gehoorzaamt wel.

 

 

Een fontein vol van blijdschap

‘Zeg, buurvrouw! Heb je het al gehoord?…’
In het Samaritaanse dorp Sichem staan twee vrouwen te roddelen over de heg. ‘Vannacht heeft die Marja van hiernaast…’Hun stemmen worden zachter. Anderen komen erbij staan, zodat al spoedig het hele dorp op de hoogte is. Iedereen werpt dodelijke blikken in de richting van een klein huisje. En in dat huisje houdt de vrouw over wie zo gekletst wordt dorstig haar lege waterkruik aan de mond. Niet het kleinste drupje water komt er nog uit. Met een moedeloos gebaar zet ze hem neer vlakbij de deur. Vanachter het grauwe gordijn, dat voor de ingang van haar kamer hangt, gluurt ze voorzichtig naar buiten. Zijn die roddeltantes weg, die haar het leven zuurmaken? Dan kan zij naar de bron om water.

Waarom gaat Marja niet gewoon ‘s morgens vroeg met alle andere vrouwen naar de bron? Waarom wordt er zoveel over haar gekletst? Och, het komt allemaal door die rottige dingen die ze meegemaakt heeft. Het begon met de dood van haar eerste kind, een dochtertje. Haar man van toen wilde haar niet meer als vrouw hebben, omdat hij een meisje de moeite niet waard vond. Waar moest ze in haar ellende naar toe? Ze trok bij de paardenhandelaar Jimla in. Maar die sloeg haar heel vaak. Ook de derde man was geen succes en wat er daarna allemaal gebeurde, daar wil Marja maar liever niet over spreken. Kijk, daar gaat ze met haar rode omslagdoek om haar zwarte pijpenkrullen, een kruik en een emmertje in haar handen. Zou ze nog ooit het geluk vinden?

‘Ik moet door Samaria heengaan.’ zegt Jezus op een dag tegen zijn leerlingen. Het verbaast hen wel. Meestal lopen joden liever kilometers om dan door dat goddeloze land te gaan waar ze nog afgodsbeelden aanbidden. Maar als de Meester daar wat te doen heeft… Als ze tijdens hun voettocht aankomen bij de bron in Sichar, stuurt Jezus zijn leerlingen naar de stad om brood te kopen. Zelf gaat hij in de koele schaduw van een olijfboom zitten uitrusten. Het is stil om Hem heen. Je hoort de bijtjes zoemen. Heel in de verte nadert een vrouw met een rode hoofddoek.

‘Hé, een vreemdeling!’ denkt Marja als ze bij aankomst Jezus ziet zitten. Met een vlugge blik taxeert ze Hem. Het is een Jood, dat zie je aan Zijn kleding. Nou, laat maar lekker zitten. Die lui hebben zo’n kapsones. Rinkelend haalt ze een emmertje tintelfris water op en begint ervan te drinken. Heerlijk!
‘Geef Mij ook een beetje.’ klinkt het plots achter haar. Marja kijkt verbaasd op. ‘Vraagt U, een jood, aan mij, een Samaritaanse vrouw, om water?’ vraagt ze verwijtend, terwijl ze Hem haar emmer overhandigt. De vreemdeling lacht haar vriendelijk toe.
‘Vrouw,’ antwoordt Hij, ‘als u wist wie Ik was, zou u aan Mij water gevraagd hebben. Levend water!’
Marja trekt verbaasd haar wenkbrauwen op. Ze kijkt naar zijn lege handen en zijn bagage. ‘De put is diep,’ reageert ze ongelovig, ‘en U hebt niet eens een emmer bij U. ‘t Is de diepste put van het land… en ook heel beroemd. Onze vader Jakob heeft er nog uit gedronken met zijn zonen en zijn kuddes.’
‘Toch heb Ik beter water,’ zegt de man, niet erg onder de indruk, ‘Van Mijn water krijg je namelijk nooit meer dorst. In eeuwigheid niet. Het wordt een fontein binnenin je.’
Marja raakt ervan in de war. Hij spreekt over water en ze ziet geen water. Hij biedt haar een fontein aan. Niet gek!
‘Dat water wil ik wel hebben. Dan hoef ik niet meer zo’n dorst te lijden en hier te komen om te putten.’
Er klinkt pijn door in haar woorden. Merkt de vreemdeling dat?
‘Ga dan je man maar halen.’ zegt Jezus.
Wat krijgen we nou? Wat heeft water met haar huwelijk te maken? Is deze man wel te vertrouwen?
‘Ik heb geen man.’ liegt Marja onverschillig, terwijl ze aanstalten maakt om weg te gaan. Dat erge mag die vreemdeling niet weten. … Maar Hij weet het allang.
‘Je hebt de waarheid niet gesproken, vrouw. Vijf mannen heb je gehad en de man die vannacht bij je was, is je man niet.’
Marja is totaal beduusd. Hoe weet die man dat? Is hij soms een profeet? Wacht eens. Kan Hij haar soms ook antwoord geven op de grote vraag in haar leven?
‘Ik zie dat U een profeet bent,’ stottert ze. ‘k Heb vaak verlangd naar iemand zoals U. Weet U soms hoe en waar je bidden moet tot God zodat Hij je verhoort? Onze leiders zeggen dat je op deze berg moet bidden, maar jullie joden zeggen te Jeruzalem.’
‘Vrouw,’ zegt Jezus vol liefde, ‘het maakt niet uit waar je bidt. Van nu af aan kun je overal bidden, als je het maar echt meent. In gedachten kun je God aanbidden. Hij zoekt juist zulke mensen, Maar de Messias komt uit het Joodse volk!’
Ja, dat weet Marja. Ze denkt zo vaak aan Hem. ‘Als Hij komt zal Hij ons alle dingen leren.’ zucht ze. Jezus ziet haar aan, een vrouw met een diep verdriet, die naar Hem op zoek is. Ja, Hij wil zich aan haar bekendmaken.
‘Ik die met je spreek, ben de Messias!’ zegt Hij openlijk.
Marja voelt dat het waar is. Er verandert iets in haar. Al haar verdriet en lijden kan ze Hem vertellen. Hij alleen begrijpt het. Een grote bron van blijdschap borrelt op in haar hart. Ze moet het aan de anderen vertellen. Nu direct.

‘Nou-nou! Die heeft haast!’ zegt Andreas die juist met de andere discipelen aankomt. ‘Heeft de Meester met een vrouw gesproken? Kijk! Ze is haar kruik vergeten.’ Verbaasd kijken ze haar na. Toch vraagt niemand wat er gebeurd is. Ze komen er echter gauw genoeg achter.
‘Buurvrouw! Buurvrouw! Moet je horen!’
Weer staan er overal in Sichar groepjes mensen te praten, maar dit keer staat Marja midden in de kring. ‘Kom mee!’ roept ze opgewonden, ‘De Messias staat bij de bron. Hij weet alles van mij af.’ En ze gaan, die roddeltantes en kletsmajoors. Massaal gaan ze kijken of het waar is. Twee lange dagen blijft Jezus in Sichar, omdat de mensen Hem daarom smeken. Er gebeuren geweldige dingen. Er komt een heel andere sfeer in het stadje.
‘Marja!’ zeggen ze tenslotte. ‘Nu geloven we niet meer om wat jij ons wel zei, maar wij hebben zelf gezien dat Jezus de Heiland der Wereld is!’

 

 

De uiteindelijke overwinnaar ben ik!

Het is heel stil in het grote paleis van de Farao. Iedereen probeert zo min mogelijk lawaai te maken. De kamerdienaars lopen op pantoffels en in de keuken zet men voorzichtig de pannen op het vuur. De kinderen mogen geen tikkertje spelen en lachen. Weet je hoe dat komt?
De Farao is in de rouw.

Op zijn hoge en verheven troon zit heerser van Opper- en Neder Egypte. Een slanke man met een gestreepte hoofddoek om waarboven een gouden kroon met een slangenkop. Zijn ene gespierde blote arm rust op de gouden leuning en met zijn andere arm ondersteunt hij zijn kin.
Het lijkt wel of hij uit het wassenbeeldenmuseum komt. Geen teentje beweegt, geen vingertje wordt verplaatst. Of hij bedroefd is of boos, niemand kan het zeggen. De Farao is een ster in het verbergen van zijn emoties. Hij heeft altijd een pokergezicht.
Maar van binnen, onder zijn ronde gekleurde kralenkraag, woedt en stormt het. En boze gedachten vliegen als vechtende kraanvogels door zijn kaalgeschoren kop!
Hoe is het mogelijk! HIJ DE GODENZOON, DIE NIET GEBOREN IS MAAR UIT DE HEMEL IS KOMEN VAREN OVER DE NIJL, HEEFT DE NEDERLAAG GELEDEN!! Zijn oudste zoon wordt binnenkort als mummie bijgezet in een piramide. Walgelijk waanzinnig! En het ergste is nog wel, dat hij is verslagen door de god van een slavenvolk. Wilde woede borrelt in zijn binnenste omhoog, maar die woede kan er niet uit. Alleen een klein trekje om zijn mond verraadt wat er in hem omgaat.

Bij de tien meter hoge marmeren pilaar vóór in de ontvangstzaal is een man komen staan met gebogen hoofd. Hij wacht tot de Farao toestemming geeft dat hij verder mag komen. De opperkamerheer heeft hem ook zien staan. Hij zoekt oogcontact met de Farao om te weten of de man wel of niet dichterbij mag komen. Eén kleine beweging van diens wijsvinger is genoeg om te zeggen: ‘Laat de koninklijke spion naderbij treden.’
De binnengekomen man loopt snel naar voren en valt plat op zijn gezicht voor zijn meester.
“Farao, ik ben net terug van het verspieden van de Hebreeërs. En ik heb goed nieuws. Het slavenvolk is naar het zuiden getrokken, richting Rietzee, niet langs de weg van de Filistijnen. Ze zijn nu al verdwaald, wat kun je ook anders verwachten van een onontwikkeld herdersvolk. Er zit geen greintje gezond verstand in hun hersens…’
‘Zwijg!…’ roept de opperkamerheer. ‘ De Farao kan zelf wel conclusies trekken. Als je verder niets meer te zeggen hebt, kun je vertrekken.’
Farao heeft zich nog steeds niet bewogen.

’t Is druk vandaag, want alweer komt er een man op audiëntie. Het is de architect van de twee voorraadsteden Pythom en Ramses. Hij maakt alleen maar een vlugge kniebuiging voor de Farao.
“Majesteit,’ roept hij boos, zonder op toestemming te wachten, ‘met alle respect, zo kan ik niet werken. Dit is gekkenwerk. De hoogverheven heerser heeft een termijn gesteld dat mijn werk gedaan moet zijn, maar nu alle slaven weg zijn, ligt de hele bouw stil!’
‘De geachte architect heeft zijn boodschap goed overgebracht. Hij kan gaan!’ roept de Opperkamerheer snel. Hij ziet de bui al hangen. Dit kan Farao er niet meer bij hebben.

Even blijft het stil in de troonzaal. Je hoort slechts het zoemen van een bromvlieg en het ruisen van de grote waaiers achter de troon.
Dan onverwacht komt er een diepe grommende stem vanaf de troon:
‘DE UIT-EIN-DE-LIJKE OVER-WINNAAR BEN IK!!!’
O, het is de Farao. Hij spreekt!! De lierspeler, die al die tijd zachte muziek had zitten spelen geeft geschrokken een driftige roffel op alle snaren, wat iedereen wakker schrikt. En de trommelslager doet er nog een duitje bovenop.
Farao SPREEKT EN BEWEEGT! Nu is hij geen wassenbeeld meer. De agressie vindt een uitweg.
‘Roep de generaal van de cavalerie hier, onmiddellijk!’ klinkt zijn bevel.
Binnen het uur zitten 600 tot de tanden toe bewapende cavaleristen op de strijdwagens. Ze jagen de raspaarden op met lange zwepen: “Voort, voort, de slaven achterna. We halen ze met geweld weer terug!!’’ is de yell.

Klopperdeklopperdeklop!
Hoor je die paardenhoeven neerkomen op de zandweg?
Mouni, de Egyptische kampioen paardrijden is de groep zeker een half uur voor. Hij verkent de weg. Zodra hij een belangrijke boodschap voor de Farao heeft, stapt hij af en schrijft een teken op een steen, waarna hij weer snel op zijn paard springt.
Net was er zo’n moment. ‘Hebreeërs verdwaald, volg pijlen,’ liet hij als boodschap achter.
Hier en daar verzamelt hij wat informatie bij rondtrekkende bedoeïenen en zet zijn pijlen dan richting de Rietzee. ‘Pi-Hachiroth’ schrijft hij op een grote rots.
Op die manier is het voor Farao en zijn ruitervolk gemakkelijk om de weg te vinden.
Tegen de avond staat Mouni op een heuveltop en bekijkt de verrichtingen van het volk. Ja hoor! Ze zitten als ratten in de val. Dat wordt een makkie.

‘Een makkie,’ denkt de Farao ook, als hij na een uurtje of wat met zijn ruiterbende bij dezelfde heuvel aankomt. ‘Dit keer heeft Jahweh hen niet kunnen helpen. Mooi zo. Over een paar uur zal hij weer op de terugweg zijn met zijn buit! Farao’s blik wendt zich naar de verrichtingen van de priester van Ra, die de avondrituelen uitvoert, gebeden opzegt, voordat de zon ondergaat.
Maar zo simpel als het leek was het toch niet. Er komt een soort dikke mist opzetten, zodat de Prr-mensen, zoals de Hebreeën worden genoemd, omdat ze bij het schapenhoeden steeds prr roepen, niet meer te zien zijn. Dat wordt minstens een dag vertraging. Maar goed, daar komen ze ook wel overheen.

Mouni loopt al een tijdje met de gedachte om te proberen dichter bij de Hebreeën te komen. Als het hem lukt en hij met belangrijke informatie bij de Farao aan komt zetten, wacht hem een grote beloning. Slim als hij is bindt hij lappen om de poten van zijn paard om het geluid te dempen en voert zijn dier aan de leidsels mee de mist in en de nacht. Kloppekloppekloppe. Doodse stilte, mist en duisternis alom.

Tegen de ochtend is hij terug, total loss.
‘Farao! Farao! Heer van Opper en Neder Egyp…’
Half struikelend en naar adem happend valt hij de tent van Farao binnen.
‘Meester, er is … het is… magie… een hevige wind heeft een pad in de zee gemaakt en de Hebreeën…. hhh…lopen… naar de overkant!! En die wolkkolom daar… is aan de andere kant vurig verlicht!!’
Het bericht slaat in als een bom. Farao holt woedend naar buiten, springt op zijn raspaard en mobiliseert zijn leger.

De wolkkolom is aan het wegtrekken in de richting van de zee. Je kunt nu al de rivier zien. Ja, wonder van alle hemelse wonderen: DAAR IS EEN PAD IN DE RIVIER!! Aan weerszijden van dat pad rijst het water als een muur omhoog.
‘Aanvallen, machtig leger van Egypte,’ roept Farao, ‘Wat slaven kunnen kunnen godenzonen ook. DE UITEINDELIJKE OVERWINNAAR BEN IK!!’
Na tien plagen en de dood van zijn eerstgeboren zoon buigt hij nog niet voor de God van Israël.
Oorlogsgeschreeuw, knallende zwepen en hinnikende paarden. Schrikaanjagend flitst Farao’s leger naar voren. Bij de zee gekomen springen de paarden met een sierlijke sprong op het laaggelegen pad door de Rietzee. Ze springen hun dood tegemoet.

‘Als die rare wolk er maar niet zou zijn,’ denkt de Farao, jagend over het mysterieuze pad, ‘dan kon hij de slaven meer angst aanjagen…’
En even later: ‘Er is toch iets raars met dat ding. Kijk er flitsen vurige stralen vanaf… Er lijkt wel een boos gezicht in te zitten, dat hem aanstaart… Wouw! Dit is echt eng! Dit is…. WEGWEZEN!! Snel.’
Farao keert zijn strijdwagen om, waardoor de achteropkomende ruiters beginnen te vallen, steigerende dieren, gehinnik, doodsnood. Dit is D- day voor God.
Niemand overleeft het.

‘Zee, Ik beveel je, stroom weer terug!’ klinkt het machtige bevel van God.
Met donderend geraas stort de watermuur in. Bovenop al die paarden, wagens en ruiters. Bovenop Farao, de Heer van…
Blupblup.
Hier en daar een hand die omhoog steekt boven de golven. Daar een paardenkop en trappende poten. Een omgekeerde helm drijft stroomafwaarts…
En dan stilte. Doodse stilte.
Aan de overkant van de rivier barst een applaus los voor de Here, onze God, die de uiteindelijke overwinnaar is. Halleluja!

 

 

Ruth vindt haar verlosser

’t Is avond in Betlehem. Troostend streelt het zachte maanlicht over de kleine huisjes, die dicht tegen elkaar aan schuilen. ’t Lijkt wel of het stadje slaapt, net als de mensen. De wind fluistert door struiken en bomen. ’t Is de tijd dat de kleine veldmuisjes uit hun holletjes komen om van het rijpe koren te snoepen. En niemand jaagt hen weg, want iedereen is doodmoe van het oogsten.

Langs het landweggetje, dat zich bergafwaarts, door de velden heen kronkelt naar de dorsvloer, loopt een jonge vrouw helemaal alleen. Ze heeft haar beste jurk aan en haar mooiste omslagdoek om. Zo af en toe kijkt ze onderzoekend om zich heen. Zou niemand haar zien?

‘O, Almachtige,’ bidt ze half hardop, ‘Laat Boaz mij niet afwijzen omdat ik een vreemdelinge ben…’

Huiverig trekt ze haar omslagdoek wat dichter om zich heen en versnelt haar pas.

Wie is deze vrouw en wat doet ze zo laat op de avond nog op die landweg? Het is Ruth, de Moabitische schoondochter van Noömi. Ze is op weg naar de rijkste boer in de omtrek om hem iets heel belangrijks te vragen. O, als het lukt, dan krijgen zij en Noömi weer een huis en een toekomst.

Ja, Noömi en Ruth wonen al weer een paar weken in Betlehem. Ze hebben hun intrek genomen in het vroegere huisje van Noömi en Elimelek, dat in al die jaren wel erg bouwvallig is geworden. Toch is dit niet hun eerste zorg. Het belangrijkste is wel hoe aan eten te komen. Het land, dat voorheen van Elimelek was, is immers verkocht. O ja, de eerste dagen brengen buren en familie eten, maar dat kan natuurlijk niet altijd zo blijven. Ze moeten zelf in hun onderhoud gaan voorzien. Dat is best moeilijk voor twee vrouwen alleen.

‘Moeder,’ zegt Ruth flink, ‘op dit moment is het oogsttijd. Laat mij maar gewoon naar het veld gaan en daar aren oprapen achter de maaiers. Dat doen alle arme mensen.’

Noömi stemt toe en zo loopt Ruth achter de vrouwen aan naar een veld. Zonder het te weten komt ze op het land van boer Boaz terecht.

‘Wie is dat?’ vraagt deze aan zijn arbeiders als hij haar in de gaten krijgt.

‘Dat is Ruth, de Moabitische.’ is het antwoord. ‘Ze is al vanaf vanmorgen vroeg in de weer, zonder pauze.’

Boaz gaat eens een praatje met haar maken. Van anderen heeft hij al gehoord, dat ze zo goed voor Noömi zorgt en dat ze haar land en volk heeft verlaten om bij hun God te behoren.

‘Zeg, Ruth,’ zegt hij hartelijk, ”t Is prima hoor, dat je op m’n land bent. Ga maar nergens anders naar toe. En als je soms dorst hebt, dan kun je aan mijn knechten wat water vragen.’

Ruth buigt diep voor hem, zoals het de gewoonte is als je met een belangrijk iemand spreekt. Ze kan zich haast niet voorstellen dat Boaz zoveel belang in haar stelt. Toch is dat zo, want zijn arbeidsters geeft Boaz stiekem nog opdracht zo af en toe expres wat te laten vallen voor Ruth. Dolblij komt ze die avond thuis met een zak boordevol gerst. Noömi klapt in haar handen van blijdschap als ze het hele verhaal van Ruth hoort.

‘Nu weet ik zeker, dat God van ons houdt. Wat zouden Elimelek, Machlon en Chiljon blij zijn als ze dit wisten. Deze Boaz kan…ONZE VERLOSSER WORDEN! Dat is precies wat we nodig hebben.’

Ruth trekt haar wenkbrauwen op. Een verlosser? Wat is dat? Noömi legt het haar uit.

‘Kijk, volgens onze wetten en voorschriften kan Boaz, omdat hij nog een beetje familie van ons is, ons land voor ons terugkopen en de zorg voor ons op zich nemen. Zo gaat onze naam voor het nageslacht niet verloren.’

Ruth staat paf. Wat een goede wet. Zo zal er niemand omkomen in het land. Ze heeft nog een heleboel te vragen over hoe die verlosser voor hen gaat zorgen. En… weet je wat Noömi zegt?

‘Als Boaz onze verlosser wordt zal hij met jou moeten trouwen!’

Nou ja zeg! Dat maakt Ruth helemaal sprakeloos.

Tegen het einde van de gerst oogst zegt Noömi op een avond:

‘Ruth, ’t is echt voor je bestwil. Trek je mooie kleren aan en ga vanavond naar de dorsvloer. Daar is Boaz ook. Let goed op waar hij gaat slapen. Zodra alles stil is, ga je aan zijn voeteneind zitten met je voeten onder zijn deken. Maar… zorg dat niemand je ziet, hoor!’

Met bonzend hart doet Ruth wat Noömi haar zegt.

’t Is stil geworden op de dorsvloer. Het vuur, waarin Boas en zijn knechten het kaf hebben verbrand, smeult nog een beetje na. Sjonge, wat is hij moe. Urenlang hebben ze het koren omhoog geworpen met een soort hark, zodat de strootjes en vliesjes weggeblazen werden in de wind. Nu heeft hij een lekker plekje gevonden achter de korenhoop om te slapen. In z’n hart is vreugde en dankbaarheid tegenover God, die hem zo’n grote oogst heeft geschonken. Midden in de nacht echter schrikt hij wakker. Er beweegt iets aan zijn voeteneind. Iemand trekt aan zijn deken.

‘Hé, wie is dat?’ roept hij verstoord. Zijn handen graaien in het rond en ja, daar heeft hij iemand te pakken.

‘Meneer Boaz, ik ben het, Ruth!’ klinkt het verlegen. ‘Mag ik bij u schuilen, want u bent mijn losser.’

Ruth? Verbaasd is Boaz, maar ook blij. Komt ze zomaar in de nacht naar hem toe? Ruth, die vrouw die hij zo bewondert? Als je kijkt hoe ze voor haar schoonmoeder zorgt! Niet te geloven. En nu vraagt ze hem om haar verlosser te worden? Tuurlijk wil hij dat.

Maar d’r is een probleem.

‘Ruth,’ aarzelt hij, ‘ik wil jullie graag helpen, maar er is een andere verlosser, die meer rechten heeft dan ik. Maar, weet je wat? Morgenochtend vroeg zal ik met hem gaan praten.’

En Boaz houdt woord. Onder toezicht van tien vooraanstaande inwoners van de stad spreekt hij de volgende ochtend met die andere man. Eerst lijkt deze bereid om te helpen, maar als blijkt dat hij dan ook met Ruth moet trouwen, bedankt hij voor de eer. Niks erg. ’t Is toch iemand die alleen maar aan zijn eigen belang denkt. Een paar weken later vindt de bruiloft plaats. Wat ziet Ruth er stralend uit in die mooie jurk, die ze van Boaz heeft gekregen. Ontroerd veegt Noömi met haar mouw langs haar ogen. Alles is goed gekomen. Ruth heeft haar verlosser gevonden.

 

 

Mozes

Heb je wel eens een sprookje gehoord van een prins, die een prachtig land geërfd had, maar het pas kon innemen nadat hij de zevenkoppige draak verslagen had?
In onderstaand verhaal gaat het ook over een land en over enge reuzen… Ja echt, het staat in de bijbel, lees maar.

‘Mozes!’
‘Ja Heer,’
‘We zijn nu bijna bij het beloofde land gekomen. Als je op de berg klimt kun je het zien liggen. Nu moet je twaalf mannen van het volk nemen, uit elke stam één en die moeten het gaan bespioneren.’
‘Komt in orde, Heer!’ zei Mozes. Hij was gewend om meteen in actie te komen als God hem iets opdroeg. Een keertje had hij het niet gedaan en daar had hij nog steeds spijt van…
Hij ging meteen met de leiders van de stammen praten. Zij kenden hun mensen en wisten precies wie er moed had en slim was.

’t Is altijd leuk als je ergens voor wordt uitgekozen, maar dit keer zat er best een risico aan.
Spion zijn is een gevaarlijk beroep. Je kunt ontdekt worden, vermoord zelfs! Maar na wat heen en weer gepraat kwamen ze er toch samen uit. Daar stonden ze dan: Sammua, Safat, Kaleb, Jogal, Hosea, (Mozes noemde hem altijd Jozua), Palti, Gaddiël, Gaddi, Ammiël, Setur, Nachbi, Geüel. Twaalf in totaal. Zie je ze al voor je?
Net als bij voetballers voor een wedstrijd stonden ze te trappelen van ongeduld. Maar Mozes moest hen eerst nog instructies geven.
‘Trek hier het Zuiderland in en dan over de bergen. Je moet kijken of het volk dat er woont sterk is of zwak, klein of talrijk… Kijk ook naar het land zelf. Is het goed of slecht, zijn er steden en waar liggen die. Zijn er ergens militaire vestingen. Onthoud waar er bomen zijn en of we van de opbrengst van het land kunnen leven. Dat zie je gauw genoeg. Het is nu zo’n beetje de tijd van de druivenoogst, dus kijk eens of er ergens wijngaarden zijn. Begrepen?’
Natuurlijk waren er nog wat vragen en iemand had wat goeie adviezen hoe ze zich kleden moesten zonder op te vallen. Van alle kanten kregen ze waterkruiken en eten voor onderweg. Na veel kussen en omhelzingen van hun kinderen en vrouwen en vooral veel heel veel goede wensen vertrok de groep richting het Zuiderland.

Wat een avontuur. Spannend ook, want hiervoor hadden ze het allemaal gedaan. Ze waren niet voor niks uit Egypte getrokken, waar ze door slavendrijvers geslagen waren en waar hun kinderen vermoord werden. ‘Ik breng je in een land van melk en honing,’ had de Heer beloofd. Nou, kom maar op! Eindelijk zouden ze uit die vreselijk hete woestijn binnengaan in het Beloofde Land. Ze liepen en keken en deden net alsof. Ze overlegden, slim, sluw, onopvallend veertig dagen lang, aanvankelijk vol verwachting, maar naarmate de tijd verstreek steeds moedelozer.
O Here God, wat verschrikkelijk…
Ja, oké, het wás een schitterend land, vruchtbaar tot en met. Granaatappels, druiven, vijgen, waterbronnen. Maar…. DE INWONERS WAREN REUZEN, klerenkasten, met handen als kolenschoppen en spierballen als boksers.
In doffe wanhoop plofte de groep verspieders tenslotte neer in een droge greppel. Sommigen hadden tranen in de ogen, anderen keken verbeten, alsof ze Mozes de schuld wilden geven van deze ‘mission impossible.’ Alle twaalf? Eh… nee, niet alle twaalf.
Twee hielden de moed erin. Jozua en Kaleb.

‘Daar zijn ze, daar zijn ze terug!’ gilde de oudste zoon van Kaleb.
Meteen was iedereen alert. Stipjes in de verte… Waren dat de verspieders? Ja hoor! O, nu zouden ze spoedig horen hoe het land was waar ze naar op weg waren. Jaaaaa! Iedereen begon te rennen om maar vooral vooraan te staan als het verslag werd gedaan. Mozes kwam ook uit zijn tent, waar hij voor zijn mensen had gebeden.
En? En? O, het was goed, dat kon je zo zien.
Kaleb en Jogal hadden een enorme druiventros bij zich, die over een stok hing. Ze moesten hem met zijn tweeën dragen, zo groot was tie. Druiven zo groot als kleine pruimen! O kijk, anderen hadden prachtige sappige granaatappels en vijgen bij zich. Machtig zeg!
‘St! Stil nou even allemaal, we kunnen niks verstaan!’ riep de vrouw van Gaddi, blij dat ze haar man weer heelhuids terugzag.
Toen begonnen de verspieders te vertellen. Ja, het was inderdaad een land van melk en honing, maar…
Bij het horen van het verhaal van de reuzen was het even stil en toen brak het lawaai los. Huilen, schreeuwen, wanhoop en woede barstte los.
‘Mozes, wat heb je ons aangedaan. Waren we maar in Egypte gebleven. We zullen allemaal sterven in de woestijn!’ Het gejammer hield maar aan.
‘STILTE!!’ Wie ging daar op een kist staan? Wie brulde zijn longen uit zijn lijf om het stil te krijgen? Het was Kaleb en Jozua ging naast hem staan.
‘STIL ALLEMAAL!!’
En het werd stil.
‘Luister goed,’ zei Kaleb ‘laten we gerust optrekken en het land in bezit nemen, als de Heer met ons is en van ons houdt dan zal hij ons brengen in dit land, dat vloeit van melk en honing.’
‘Ja, voegde Jozua er aan toe, ‘De Heer is met ons, we vrezen niet voor reuzen, hoe sterk ze ook zijn!’

Hoe het verder afliep? ’t Is nog een heel verhaal, maar een ding is zeker. Jozua en Kaleb kwamen er wel en alle anderen niet. Nog veertig jaar moest het volk Israël door de woestijn trekken. Dat was de straf voor hun ongeloof.
Ja, onze God kan reuzen verslaan en daar vertrouwen we op. Bij hem is niets onmogelijk.

 

 

Aisha en het engeltje

‘Mam, is dat niet schattig,’ roept Fleur als ze uit school komt.
Ze smijt haar tas naast de bank en ploft buiten adem neer. Haar moeder komt met sop aan haar handen uit de keuken lopen.
‘Wat is er gebeurd?’ vraagt ze nieuwsgierig. Fleur heeft een kleur van het rennen. Ze wil haar geheim zo graag vertellen. Het gaat over haar allerbeste vriendin Aishe.
‘Mam, Aishe gelooft niet in Jezus, maar wel in engelen. Ze heeft een eigen engeltje zegt ze. Ze ziet het overal, als ze het roept. Op straat, in het bos, thuis in de badkamer. Het is een mooi lichtgevend schattig klein meisje. Ze heeft het voor me getekend. En mam…, het engeltje geeft haar ook raad. Ze kan er gewoon mee praten. Vorige week had het gezegd: Je krijgt een acht voor rekenen en het gebeurde nog ook. Is dat niet waanzinnig schattig? Ik ga Jezus ook om zo’n engeltje vragen.’
‘Dat zou ik maar even niet doen,’ antwoordt moeder nuchter. ‘Als jij de tafel vast wil dekken, dan zullen we er na het eten over doorpraten, oké?’

Maar van praten na het eten komt niets terecht, want ze krijgen een telefoontje van de buurvrouw van oma. Oma is onwel geworden en moeder moet er direct naar toe. Met een bezorgd hart vertrekt Fleur weer naar school.
Die middag kan ze haar gedachten niet bij haar werk houden. Ze zit te denken over het engeltje van Aisha en over oma die ziek is. Zou het engeltje ook kunnen zorgen voor oma? Zou het oma ook kunnen beschermen? Engelen leven toch dicht bij God?
Was er niet een psalm die over engelen ging? Ze had pas nog een tekst uit haar hoofd moeten leren voor de zondagsschool. Het was iets van: ‘Gods engelen waken over je waar je ook gaat.’ O ja, het was het psalm 91.
‘En Rome is de hoofdstad van… Fleur?’ vraagt de juf, die bezig is de hoofdsteden van Europa er in te stampen bij de kinderen.
‘Eh… Engeland.’ Fleur zegt maar gauw wat. De klas begint te grinniken. Ze had beter moeten opletten.

Na schooltijd rent Fleur gauw naar huis. Ze moet gewoon weten hoe het nu met oma is. Zou mam er al weer zijn?
‘Heer Jezus,’ bidt ze bezorgd, ‘wilt u alstublieft een engel bij oma’s bed zetten?’
Mamma is nog niet thuis, wel Toos, de werkster. Zou die wat van engelen weten?
Ja hoor. Toos kent nog een nachtgebedje met engeltjes van toen ze zelf nog kind was. Het gaat zo:
‘’s Avonds als ik slapen ga volgen mij veertien engeltjes na…’
‘Hoeveel?’ roept Fleur verbaasd. ‘Veertien?’ Ja, Toos weet het zeker. Ze zegt het hele versje op.
‘Twee aan mijn hoofdeind, twee aan mijn voeteneind, twee aan mijn rechterzij,
twee aan mijn linkerzij. Twee die mij dekken, twee die mij wekken, twee die mij leren
de weg des Heren.’
Tsjonge, dat is een mooi gedichtje. Zou Toos het soms voor Fleur op willen schrijven, dan kan mamma het ook lezen. En wat is dekken?
‘Dekken is toedekken,’ zegt Toos.
Fleur vindt dat maar vreemd. Ze dekt zichzelf altijd toe. Maar je weet nooit wat er gebeurt als je het niet zelf doet. Dat moet ze eens uit proberen. Eigenlijk vindt Fleur het wel een beetje veel worden. Zoveel engelen in een klein kamertje.

Om vijf uur komt mamma thuis. Gelukkig is oma weer in orde. Ze was gewoon onwel geworden door het warme weer. Oude mensen drinken soms te weinig. Fleur haalt opgelucht adem. Ze eten maar iets makkelijks, poffertjes uit de magnetron en een glas vers geperst sinaasappelsap.
Als de afwas gedaan is ploffen ze naast elkaar op de bank.
‘Zo schat,’ zegt moeder met haar arm om Fleur heen, ‘je hebt nog wat van me tegoed. Vertel nou nog eens over je vriendin Aishe en de engel.’
Als Fleur alles opnieuw heeft verteld kijkt moeder toch wat zorgelijk.
‘Fleur,’ zegt ze, ‘wat Aishe meemaakt is gevaarlijk. In de bijbel staat dat engelen dienaars van God zijn. Ze brengen een boodschap over. Maar het zijn nooit kleine schattige meisjes en je moet ze zeker niet oproepen. Wij bidden niet met engelen maar met God. ‘
‘ Ik was juist zo blij dat Aishe in engelen geloofde,’ zegt Fleur teleurgesteld. ‘Die horen toch bij God.’
‘Fleurekind,’ zegt moeder. ‘Er zijn twee soorten engelen. Wist je dat niet? Engelen van het licht en engelen van de duisternis.’
Dan is er niets aan de hand, vindt Fleur, want het engeltje van Aisha is een mooi licht meisje. Maar daar is moeder het niet mee eens. ‘Die engelen van de duisternis doen net of ze engelen van het licht zijn,’ zegt moeder. ‘Maar uiteindelijk maken ze je afhankelijk en kom je verder van God vandaan.’
Fleur heeft nog veel meer vragen, maar het is bedtijd. Moeder komt haar instoppen.
‘Here, houd ook deze nacht over mij getrouw de wacht,’ bidt Fleurtje onder de deken en dan is ze al spoedig in dromenland.

In de dagen daarna spreken Fleur en Aisha eigenlijk helemaal niet meer over het engeltje. Ze gaan op school een spelmiddag houden voor weeskinderen in Brazilië en daar moeten ze allerlei dingen voor bedenken. Ze zitten in verschillende groepen en daardoor spreken ze elkaar nauwelijks.

De volgende maandag rent Fleur na schooltijd snel naar huis, want Doeska hun hond is jarig en moeder en zij willen een hondengebakje voor hem maken. Een versierde kluif met worstjes en hondenkoekjes.
Hé, wacht even! Bijna was ze haar beste vriendin voorbij gerend. Aishe zit op een bankje bij de singel. Ze kijkt een beetje puzzelig. Wat zou ze hebben?
‘Hoi Ais,’ hijgt Fleur, terwijl ze naast haar duikt. ‘Waarom zit je hier?’
Aishe steekt lauw haar hand op om Fleur een high Five te geven en zucht dan: ‘Ik kan niet naar huis.’
Fleur kijkt even de weg af. Niks bijzonders te zien. Geen wegblokkade of zo.
‘Waarom niet? Is je moeder weg?’
‘Nee,’ antwoordt Aishe, ‘dat komt door mijn engel. Ze zei dat ik niet over de brug mag, anders zal er een ongeluk gebeuren.’
‘Dat meen je niet. En jij gelooft het?’
Ja Aishe gelooft alles wat het engeltje zegt. Maar daardoor wordt ze gebonden. Ze is niet meer vrij om te gaan en te staan waar ze wil.
Fleur denkt diep na. Om Aishe te vertellen wat moeder had gezegd lijkt haar geen goed idee. Ze moet een slimmigheidje bedenken.
‘En als je nou achteruit loopt of je vingers gekruist houdt, het alfabet achterstevoren opzegt of knoflook tussen je tanden houdt?’
Aishe twijfelt. Er moet toch een weg zijn?
‘Ik ben blij dat ik niet zo’n engeltje heb,’ zegt Fleur opgelucht. ‘In ons geloof zijn engelen dienaren van God. Ze zijn minder belangrijk dan mensen, want wij kunnen een kind van God worden en engelen niet. In mijn bijbel staat dat engelen over mij waken dat mij geen kwaad geschiedt.’
Ineens gaat haar een lichtje op. ‘Weet je wat? Als ik nou jouw hand vasthoudt en jij loopt achteruit. Dan kun je nergens tegenaan botsen, want ik loop met je mee tot je thuis bent. Oké?’
Ineens veert Aishe op. Ze reageert niet op dit voorstel, maar op wat Fleur ervoor zei.
‘Is dat waar? Kan Jezus mij beschermen?’
Fleur bezweert haar dat het waar is. Ze kan zo aanwijzen in de bijbel waar het staat.
‘Nou, dan wil ik net als jij geloven.’ zegt ze opgelucht.
‘Dan gaat jouw engeltje wel weg, hoor!’ waarschuwt Fleur. ‘Dan mag je haar nooit meer oproepen, want een kind van God moet zich aan zijn regels houden.’
Aishe begrijpt dat best, maar ze is die rotengel al lang beu.

En dan, daar op die bank bij de singel vragen ze samen of Jezus Aishe ook als zijn kind wil aannemen. Er glijdt een grote last van Aishe af. Vrede stroomt haar hart binnen.
Even later huppelen ze samen de brug over, terwijl ze op een zelfgemaakt wijsje zingen: ‘Lala, lalala, laladeraladela!’ wat in gewoon Nederland betekent: ’Ik ben zo blij, want Jezus redde mij.’

 

 

Oorlog in de buik

Ons pleegkind Hasan kwam bij ons toen hij twee jaar was. Op een dag liep hij onze slaapkamer binnen en wat zag hij daar? Pappa lag op zijn knieën voor het bed. Hasan keek er even aandachtig naar en riep toen: ‘Wat doe jij daar?’
Pappa Bram keek op en zei: ‘Ik praat met mijn vriend Jezus.’
‘O,’ antwoordde Hasan blij, ‘dan ga ik dat ook even doen.’
Hij knielde naast pappa en deed net als hij.
In het volgende verhaal gaat het ook over twee ouders, die wisten wat bidden was. Moet je horen.
“Heer, God van mijn vader Abraham, u weet hoe dankbaar ik was toen u mij Rebecca gaf als vrouw!” bad Isaäk op een dag, “Het is echt de mooiste vrouw uit de wijde omtrek. Ze heeft een lief karakter en zorgt goed voor mij. Ook ben ik dolblij dat ze zo’n diep geloof heeft. Ze is elke dag het zonnetje in mijn leven, maar Heer,… we willen zo graag kinderen. Met alles wat in mij is, wil ik u smeken of Rebecca zwanger mag raken, alstublieft…”
Hij voelt een zachte hand op zijn schouder. “Wat zit je hier zo eenzaam, lieve man?” vraagt Rebecca, die hem was gevolgd.
“Ik bid, vrouw.”
Isaäk snuft en veegt langs zijn ogen, “Je weet wel… eh, dat we een kind zullen krijgen.””
Rebecca knielt neer en geeft haar man een dikke hug.
“De Heer zal ons op zijn tijd verhoren, Isaäk. Ik bid er ook elke dag voor! Je weet toch wat de Heer beloofd heeft aan je vader en moeder? ”
Isaäk knikt. Abraham en Sara hadden het hem wel honderd keer verteld.
“Ons nageslacht zal zijn als de sterren aan de hemel en als de zandkorrels aan de zee.’ antwoordt hij bemoedigd. “Maar lieve, het moet toch met één kind beginnen…”
“Heb geduld, Isaäk, dat hadden je ouders ook! God kan niet liegen. Hij zal doen wat Hij heeft beloofd.” besluit Rebecca, terwijl ze haar hand uitsteekt om hem overeind te helpen…
Wat een sterke vrouw, die Rebecca, hè? En wat een groot geloof had ze. Dat moest ook wel, want het duurde twintig jaar voordat ze in verwachting raakte.
Als een vrouw ongeveer vijf maanden zwanger is gaat ze beweging voelen in haar buik. Dat is een bijzondere ervaring, het kindje beweegt armpjes en beentjes, het draait in het rond en dat schept een grote band met de moeder. Ook Rebecca maakte dit mee.
‘Voel eens, Isaäk,” zei ze tegen haar man, “Even wachten… ja, hier, voel je? Dat is ons kindje, geweldig hè?”
Isaäk hield verwonderd zijn hand op de dikke buik van Rebecca.
“Prijs de Almachtige!” riep hij blij uit: “Wat is dat een wonder zo’n ongeboren kindje! Vrouw, wat zijn we toch gelukkig!”
Maar na een tijdje werd het trappen en schoppen in Rebecca’s buik wel heel erg.
“Is dit normaal?” vroeg ze zich af. Ze vroeg het aan andere vrouwen, maar die haalden hun schouders op. Ze konden haar niet verder helpen.
Daarom ging ze het maar met haar hemelse Vader bespreken.
“Heer God, Almachtige, wat voor druk kindje hebt u ons toch gegeven?” bad ze dus, “Wat is er aan de hand. Het lijkt wel oorlog in mijn buik.”
En weet je wat de Here God antwoordde? “Rebecca, er zijn twee volken in je schoot, die het nu al niet met elkaar eens zijn. Het ene zal machtiger worden dan het andere, maar de oudste zal de jongste dienen.”
Volken? Hoe kon ze nou twee volken in haar buik hebben. Twee kindjes kan wel, dat is een tweeling. Maar is dat dan hetzelfde? Ineens snapt ze het. Een kindje kan later weer kinderen krijgen en die ook weer en dan is het op den duur een heel volk. Eigenlijk is elk kindje een volk.
Rebecca legt haar handen beschermend op haar buik en lacht: “Prijs God, ik krijg een tweeling! Isaäk, Isaäk moet je horen!…”
Op een snikhete dag, aan het begin van de zomer is het zover. De kinderen gaan geboren worden. Rebecca in haar tent heeft heel erge pijn. Je kunt haar al van verre horen gillen. Aaa en ooo en au!!
Het hele kamp is nerveus. Er wordt met water gesjouwd. Knechten en dienstmeisjes lopen af en aan en Isaäk loopt maar te ijsberen. Nee, hij mag niet bij zijn vrouw zijn. Rebecca wordt geholpen door vrouwen die weten wat ze moeten doen, vrouwen met ervaring.
O, maar Isaäk vindt het zo lang duren. Hij kan alleen maar bidden: “Heer, help Rebecca en laten we twee gezonde kinderen krijgen alstublieft.” Hij veegt met een doek het zweet van zijn gezicht. Pas tegen zonsondergang klinkt er plotseling babygehuil. “Oewèh, wèhh, wèh!”
De vrouwen in de tent zien een klein kopje te voorschijn komen. Het is een jongetje, helemaal bedekt met piepkleine rode haartjes en het krijst zijn longen uit zijn lijf. Maar… wat is dat nou? Het tweede kindje heeft met zijn kleine handje de hiel van zijn broer vastgepakt, heel stevig. Voorzichtig maken ze het handje los en duwen het weer naar binnen, want kindjes moeten niet met hun handjes eerst geboren worden, maar met hun hoofdje. Na nog een flinke pijnscheut, een wee zoals dat heet, komt ook het tweede kindje ter wereld. Weer een jongetje. Het is niet rood en ook niet behaard. Met zijn natte zwarte krulletjes en zijn roze huidje is het een plaatje om te zien. De vrouwen leggen de baby’s in Rebecca’s armen. Ook het tweede kindje krijst nu. Het is net een popconcert. Blij en doodmoe geniet ze van haar prachtige jongens, maar
niet lang, want Isaäk daarbuiten wil zijn jongens ook graag bewonderen. De baby’s worden in een doek gewikkeld en naar buiten gedragen. Er gaat een groot gejuich op als de kinderen in de armen van hun verzorgsters naar buiten komen.
Wat is Isaäk trots op zijn jongens, een rode en een zwarte, een stoere en een zachte.
Buren, kennissen, vrienden en bedienden komen langs. Het lijkt wel een receptie.
Kijk die snoetjes. Die ene duimt al en die andere gaapt.
“Hoe gaan ze heten?’ vraagt iedereen.
“Deze rode, die het eerst geboren is, noemen we Esau!” lacht Isaäk, “dat is een goeie naam voor hem en die andere…
“Die noemen we Jacob!…” horen ze Rebecca roepen vanuit de tent. “… Want hij hield de hiel van zijn broertje vast bij hun geboorte!”
Isaäk heeft niet alles goed verstaan. Wat is er met die hiel? De vrouwen vertellen het verhaal.
“O, op die manier,” lacht Isaäk, “Jacob! Wat een goeie naam. Zo zal hij heten. Jij, kleine Jacob, hielvasthouder, je bent me er één. Jij laat het kaas niet van je brood eten! Je dacht zeker: Ik wil de eerstgeborene zijn. Lief klein schatje!” De trotse pappa geeft zijn zoontjes Esau en Jacob nog een heel zacht kusje en overhandigt ze dan weer aan de vrouwen. Ze moeten gevoed worden natuurlijk.
Ja, de profetie van God was uitgekomen. Rebecca kreeg inderdaad twee kinderen, twee volken en… maar wacht eens even. Kwam de rest van de profetie ook uit? Je weet wel dat van die grote scheiding tussen die twee kinderen? Ja hoor! Wat dacht je.
Die twee jongens waren ook in hun karakter heel verschillend. Esau was een wilde, die hield van jagen en op avontuur gaan en Jacob was juist huiselijk. Hij hield van gezelligheid, lekker kletsen met zijn moeder voor de tent in het maanlicht. De één doodde dieren en de ander verzorgde ze. De één geloofde het wel en de ander geloofde. En Isaäk hield meer van Esau en Rebecca prefereerde Jacob.
En nu, duizenden jaren later leven hun nakomelingen nog steeds op gespannen voet met elkaar. Er is nog steeds oorlog. De oorlog die al begon in de buik van Rebecca.